Wat is een tuigdorp? Oude wijn in nieuwe kruiken!

februari 13, 2012

Geert Wilders heeft in februari 2011 voor het eerst gesproken over tuigdorpen. Dit zouden geïsoleerde gemeenschappen moeten zijn voor veelplegers en onaangepaste mensen die niet in de normale maatschappij kunnen meedraaien.
In de media is er veel gesproken over de voors en tegens van dit initiatief, waardoor het woord verankert raakte in ons taalgebruik. Met als gevolg dat Van Dale (van het woordenboek) tuigdorp heeft gekozen tot het woord van het jaar 2011. Er waren tien woorden genomineerd. Als tweede woord eindigde caviapolitie, derde werd occupyer. Maar ook vleeshufter, planking, bedrijfspoedel, wordfeuden, weigerambtenaar, stoeproken en, ook mooi, wildbreien (waarover in een ander blog meer).

Hoe nieuw is een tuigdorp in Nederland eigenlijk? Helemaal niet nieuw dus. Al in de twintigste eeuw zijn er in ons land meerdere pogingen gedaan om wat toen onmaatschappelijken genoemd werden bij elkaar te huisvesten. In de negentiende eeuw werden deze mensen ver buiten de steden in koloniën ondergebracht, onder andere in Drenthe. En in de jaren twintig en na de tweede wereldoorlog werden door de woningcorporaties gebieden aangewezen aan de rand van de stad waar de asociale  en zwaksociale gezinnen heropgevoed konden worden in een zogenaamde woonschool.

Een woonschool was geen school, maar een wijk. De woningen werden onderverdeeld in 4 categorieën, rondom een buurtgebouw in het midden van de wijk. Dit was de eigenlijke woonschool. Hier  kregen de bewoners begeleiding op het gebied van het huishouden, budgetteren, persoonlijke hygiëne en (voor de mannelijke bewoners) het afzien van alcohol.
De woningen kregen geen voortuinen, omdat men verwachtte dat deze toch niet werden onderhouden. Gezinnen met een zeer lage woonbeschaving werden direct rond het wijkplein geplaatst; in de buitenste ring kwamen de gezinnen met een kans van slagen door te stromen naar ‘normale’ wijken  Het was de bedoeling, dat de bewoners steeds verder naar de rand van het complex verhuisden. Als het daar goed ging, kon men terugkeren in de maatschappij.

In de praktijk werkte het concept van de woonschool nauwelijks, vaak werden bewoners er eerder slechter dan beter van omdat slecht gedrag elkaar leek te versterken. Bovendien kregen bewoners van een als woonschool aangemerkte buurt vaak een stigma opgeplakt, wat hen zeker niet hielp uit hun achterstandsituatie te komen. Mensen uit woonscholen konden door het stigma moeilijk aan werk en andere huisvesting komen.
In de jaren 60 en 70 ontstond kritiek op deze paternalistische bevoogding. Het ging er niet om deze mensen de beschavingsles te lezen, maar juist in hun eigenheid te waarderen. Sinds die tijd wordt elke sociale interventie die riekt naar paternalisme al gauw geassocieerd met ‘de oude onmaatschappelijkheidsbestrijders’ als zijnde een achterhaalde fase in de ontwikkeling van het sociaal werk.

Van alle woonscholen, Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Ondiep en Nijmegen (Kolpingbuurt), is alleen die in Maastricht overgebleven. De rest is gesloopt.
In Maastricht staat nog De Ravelijn. De Ravelijn werd in de jaren tachtig een geliefde buurt voor studenten en kunstenaars. Dankzij de inzet van deze bewoners is De Ravelijn behoed voor sloop en recent gerenoveerd en opgeknapt.

Feit is echter dat er al die jaren gezinnen/mensen zijn gebleven wiens gedrag niet echt aan de maat is. We zijn het alleen wat neutraler gaan benoemen: overlast. En keer op keer duikt er weer een variant op om deze mensen ergens te plaatsen: van degradatiewoningen (voor het eerst zo benoemd door een wethouder in Bergen op Zoom), via wooncontainers (vanaf 1993 een initiatief uit Kampen) tot het Amsterdamse project Skaeve Huse: een aparte woonvoorziening naar Deens voorbeeld voor mensen die in hun woonsituatie regelmatig overlast veroorzaken op een locatie waar ze anderen niet storen en onder toezicht van een professionele woonbegeleider. Een tuigdorp dus.

Er is ook iets vreemds aan de hand. Niemand wil naast een asociaal gezin wonen, ze geven professionals en instanties handenvol werk, maar in de media kunnen ze worden omgetoverd tot dekselse rebellen. Denk aan de eindeloos herhaalde serie van de Familie Flodder, de heldenstatus die de Tokkies ooit wisten te bereiken en bijvoorbeeld het succes van de roman De helaasheid der dingen, waarin Dimitri Verhulst verhaalt van een in ‘comazuipen’ gespecialiseerde familie in het Vlaamse dorp Reetverdegem. Het boek is inmiddels verfilmd.
Wat ooit onder de burgerij vooral afschuw wekte is in de mediacultuur tot vrolijk amusement verheven…

Ga terug naar overzicht